Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

De polder Westveen ligt ten noorden van Woerdense Verlaat tussen de Nieuwkoopse Plassen en de Kromme Mijdrecht. De polder maakt deel uit van het natuurgebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Westveen is een veenweidelandschap dat nauwelijks is veranderd in de laatste eeuwen. Een echt historisch landschap. Het halfopen landschap van weide, open water en bospercelen is karakteristiek voor deze veenpolder. Vanaf verschillende paden in en rond Westveen is de ontginningsstructuur goed te herkennen. Een deel van de Polder Westveen en de Meijegraslanden is in gebruik als landbouwgebied.
Westveen (NL11_2_12) heeft watertype “laagveen vaarten en kanalen” (M10) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 32 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2630-EAG-3 (Noordse Buurt en Westveense Polder, Westveen)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Zuid-Holland en gemeente(n) Nieuwkoop. Het waterlichaam Westveen heeft de status Natura2000-gebied, KRW waterlichaam en Natuur Netwerk Nederland (NNN) en is in eigendom van Natuurmonumenten en particulier.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor laagveen vaarten en kanalen (M10), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –slecht
De toestand in Westveen (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is slecht. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Abundantie groeivormen macrofyten. De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Soortensamenstelling macrofyten Waterplanten. Er komen bijna geen onderwaterplanten voor in Westveen, op een enkele locatie wordt blaasjeskruid en grof hoornblad gevonden. Draadalgen komen soms wel in hoge dichtheid voor. Er bloeien weinig algen in het gebied. Macrofauna en vis zijn nooit bemonsterd in dit gebied. De score op de maatlat Waterflora vertoont een negatieve trend (-0.05 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019).


Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze slechte kwaliteit is de hoge voedselrijkdom van de waterbodem en de geringe waterdiepte. Het lichtklimaat is niet op orde en de watergangen zijn te ondiep voor plantengroei. Plaatselijk is er wel te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of vraat door kreeften en ganzen.

Maatregelen op hoofdlijnen
Veel maatregelen zijn gericht op het verlagen van de fosforbelasting, bijvoorbeeld door het omleiden van waterstromen, door het afplaggen van percelen en het verwijderen van voedselrijke bagger. De provincie Zuid Holland neemt ook maatregelen, zoals het verwijderen van bomen om het lichtklimaat te verbeteren en bladval te verminderen. Een andere belangrijke maatregel is het vergroten van de waterdiepte in sloten.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. De fosforbelasting is hoog. Er is sprake van nalevering uit de waterbodem in de zeer ondiepe watergangen. De externe belasting ligt redelijk laag en ruim onder de kritische grens, maar de interne belasting is redelijk hoog. Er bloeien weinig algen, maar er zijn wel grote hoeveelheden draadalgen op de waterbodem gemeten. Zowel de slibbodems als vaste waterbodems hebben een ongunstige Fe/P-ratio van het poriewater en zullen dus P-naleveren. De P-concentratie in het poriewater is wel relatief laag (< 50 µmol/l) zodat de P-nalevering niet extreem hoog zal zijn.
esficon Lichtklimaat in Westveen is goed. De doorzicht diepteverhouding is op alle locaties groter dan of gelijk aan 0,6. Dat komt vooral door de geringe waterdiepte. Er ligt veel slib in het watersysteem dat gemakkelijk kan opwervelen door biota of wind. Dit bemoeilijkt de vestiging van waterplanten.
esficon Productiviteit bodem vormt een probleem. Er is een dikke laag matig voedselrijke bagger, mogelijk is er ook sprake van sulfide- en ammoniumtoxiciteit. De P-concentraties in de boven- en onderlaag van het slib zijn vergelijkbaar, dus er is geen gradiënt aanwezig. Verder is de fosforconcentratie in de toplaag van de slibbodems steeds (veel) hoger dan de fosforconcentraties in de vaste waterbodems. Dit maakt duidelijk dat de sliblaag niet ontstaat uit verwering van de onderliggende vaste veenbodem maar uit geërodeerd materiaal dat in het waterlichaam terecht is gekomen en hier accumuleert. Het slib dat erodeert van het land is rijk aan fosfor omdat het afkomstig is van de bemeste veenweiden.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem: de waterdiepte (< 30 cm) is te gering voor een optimale ontwikkeling van onderwaterplanten. Bovendien vormt het fijne slib op de waterbodem een probleem voor de vestiging van waterplanten.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen.
esficon Verwijdering vormt een probleem. Plaatselijk is er wel te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of vraat door kreeften en ganzen.
esficon Organische belasting vormt een probleem. Er is sprake van zuurstofloosheid van het water. Er zijn geen overstorten en geen bomen langs het water. Mogelijk komt de organische belasting vanuit de waterbodem.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem. Het is geen risicogebied.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en .

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Afplaggen voedselrijke percelen Een maatregel in het kader van natuurinrichting Westveen. Dit is alleen zinvol als in de watergangen op diepte (>35 cm) zijn. Waarschijnlijk wordt ijzer toegediend. Provincie Zuid-Holland 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Intensivering van rietbeheer langs de oevers van plassen Natuurmonumenten Het gaat hier om zowel eenmalige aanpassingen als om structurele intensivering van het onderhoud. Eenmalig is nodig: oevers beschermen tegen graas, bomen verwijderen en afvoeren en infrastructuur aanleggen om intensiever onderhoud mogelijk te maken. Structureel is intensivering van beheer en onderhoud nodig, zodat opschietend hout tijdig wordt verwijderd en afgevoerd; hiervoor is een structurele uitbreiding van SNL-gelden nodig. Bomen die onderdeel van het landschap zijn, hoeven niet verwijderd te worden. We stemmen af met Natuurmonumenten hoe deze maatregel opgepakt kan worden. Natuurmonumenten 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat veel watergangen eigendom zijn van agrariërs en grenzen aan agrarische percelen. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Waterbeheermaatregelen Een maatregel in het kader van natuurinrichting Westveen. Er worden maatregelen genomen om een langere aanvoerroute van water door het gebied te creëren. Hiermee wordt een gradiënt van zoet neerslagwater naar zouter boezemwater gecreëerd. Provincie Zuid-Holland 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Omleiden / scheiden waterstromen Amstellandboezem Voorheen: Aanleggen schoonwaterkering Kromme Mijdrecht. Deze maatregel wordt genomen in de Amstellandboezem, maar heeft ook positief effect voor Vaarten Zevenhoven en Tussenboezem Vinkeveen a en b. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
Niet opgenomen in SGBP Verplaatsen van de inlaat Hiermee wordt een gradient gecreëerd omdat de af- en aanvoer nu op dezelfde locatie ligt. De inlaat wordt verplaatst naar de locatie waar het water vanuit dit gebied ook wordt afgevoerd bij wateroverschot. Hiermee wordt de invloed van het inlaatwater verkleind. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
esficon SGBP3 2021-2027 Verwijderen voedselrijke waterbodem Een maatregel in het kader van natuurinrichting Westveen. Het gaat hier om het verdiepen van watergangen en het verwijderen van voedselrijke bagger, dat vooral een probleem is vanwege opwerveling en een slecht lichtklimaat. Er zijn mogelijk ook viswerende maatregelen nodig. Nu wordt ingeschat dat vrijwel het gehele ondiepe areaal op diepte kan worden gebracht. In de praktijk kan het zijn dat dit niet mogelijk is (door loopzand, instabiliteit oevers of opbarstingsrisico’s). Provincie Zuid-Holland 2021-2027
esficon SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud en baggeren van lijnvormige secundaire watergangen Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en de subsidieregelingen: bijvoorbeeld afrastering slootkanten, drinkbakken voor veedrenking, minder frequent maaien, beheerpakketten ‘baggerspuiten’ en ‘ecologisch slootschonen’ Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Effecten van de toegenomen graasdruk door grauwe ganzen verminderen, mitigeren en/of compenseren Een maatregel in alle waterlichamen waar een sterke graasdruk van ganzen op de emerse vegetatie bestaat. Door ganzenbeheer krijgen rietoevers meer kans om te herstellen (KRW-doel); dit is ook belangrijk voor de instandhouding van leefgebied voor moerasvogels (Natura2000-doel). Deze maatregel wordt opgenomen in het fauna/ganzenbeheerplan van de Faunabeheereenheid (FBE) en uitgevoerd door wildbeheereenheden en terreinbeheerders. Faunabeheereenheid Zuid-Holland 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire watergangen: instrumenteel De Keur laat gebiedsgericht minder frequent schonen toe; implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Deze maatregel is voor meerdere waterlichamen relevant. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

In plaatst van de Voordijksche polder is Westveen wel als waterlichaam begrensd omdat dit een waterrijk N2000 gebied is en dus wel een waterafhankelijk beschermd gebied.

Monitoringswensen

Volgen verplaatsen inlaat, volgen effect omleiden waterstromen in de boezem.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.